vrijdag 15 oktober 2010

Sel



"Mijn ouders komen uit Adana, het zuidelijkste puntje van Turkije. Adana is een van de grootste en modernste steden van het land, hoofddoekjes in het straatbeeld kom je bijvoorbeeld niet of nauwelijks tegen. Daarvoor moet je naar Oost-Turkije, daar wonen bij ons de religieuzen, net als hier in Urk en Staphorst. In Adana is het de omgekeerde wereld, daar worden vrouwen met een hoofddoekje, bij wijze van spreken, op straat nagewezen. Alhoewel ik als baby nog heel even in Amsterdam heb gewoond, ben ik een geboren en getogen Zaankanter. In mijn jeugd ging ik met mijn ouders bijna elk jaar zes tot acht weken naar de Turkse kust, naar plaatsen zoals Alanya, Antalya en naar Adana, want daar komen mijn ouders vandaan. Ze hebben elkaar ontmoet toen mijn moeder er vanuit Nederland op vakantie was. Ze werden verliefd en zijn naar Nederland verhuisd. Mijn moeder woont hier al sinds haar tweede. Mijn opa was tolk. Het was in de jaren zestig in Turkije heel bijzonder wanneer je vijf of zes talen sprak. Na jarenlang als tolk te hebben gewerkt, kreeg hij als dank een reis aangeboden, hij herinnerde zich dat twee vrienden in Nederland woonden en ging op bezoek. Mijn opa kwam hier niet als gastarbeider maar als gast terecht en het beviel hem hier, dus liet hij zijn vrouw en kind overkomen.

Mijn moeder was toen twee jaar oud, ze is hier opgeleid en maatschappelijk werkster geworden. Mijn vader was eenentwintig toen hij hier kwam, later is hij voor zichzelf begonnen, maar hij heeft lang bij Meyn gewerkt. Zaandam lag voor de hand maar mijn moeder wilde persé in Oostzaan wonen. Haar logica was in Zaandam leren mijn kinderen geen Nederlands maar Turks. Ze heeft gelijk gekregen. Toen ik daar naar de middelbare school ging, ging een nieuwe wereld voor me open. Bij mij thuis werd een mix van Nederlands en Turks gesproken dus dat vond ik heel gewoon. Maar op school spraken alle Turkse jongeren alleen maar Turks.

Dat wil niet zeggen dat mijn jeugd in Oostzaan gemakkelijk was. Als enige Turkse jongen in het dorp kreeg ik allerlei vooroordelen over me heen. Vooral tegen de oudere jongens  moest ik me altijd verweren. Na de lagere school was dat gelukkig voorbij. Toen kenden ze me en wisten dat ze geen grapjes met me moesten uithalen. Op mijn zeventiende begon ik mijn eerste kapperszaak in de Zaanstreek en sinds een jaar of twee heb ik een eigen zaak onder het nieuwe gemeentehuis van Oostzaan ."